Sussex spaniel

De Sussex spaniel dankt zijn bestaan aan een aantal grootgrondbezitters in het oude Sussex. Rond de zeventiende eeuw bestond het landschap in het graafschap Sussex voornamelijk uit bos en dicht kreupelhout, ravijnen en moerassen.

 De gekende spaniels werden geselecteerd om zich een weg te kunnen banen door het dichte kreupelhout, in het water en door de zware kleigrond.Hiervoor werd gebruikt gemaakt van verschillende rassen.

De ontstane spaniel moest daarbij ook nog een hele dag kunnen werken. Er ontstond een zware spaniel, met relatief korte, dikke, goed gespierde poten (om zich een weg te kunnen banen in het moeras), met een dikke vacht, goed gewelfde ribben en een lange zeer gespierde rug.

De legende zegt dat het vooral August Fuller was die zijn eigen varieteit van spaniels ontwikkelde op zijn landgoed. En dat hij alleen verantwoordelijk zou zijn voor het 'overleven' van de Sussex op het einde van de achttiende eeuw. Legende, want Fuller was zeker niet de enige die Sussexen fokte, het ras was ruim verspreid in de omgeving. Wel is het zo dat de kennels van August Fuller een belangrijke bijdrage geleverd hebben tot de bekendmaking van het ras. Zijn 'Rosehill' kennel zorgde voor de eerste eenvormige Sussex spaniels, die het ook op de toenmalige Engelse tentoonstellingen goed deden.

Tot op het einde van de negentiende eeuw verdween de Sussex van het showtoneel. Hij werd uitsluitend gefokt als werkhond. Verschillende oude boeken prezen wel zijn werklust, zijn uitzonderlijk voorkomen, zijn kleur (leverkleur met een gouden glans die oplicht in de zon) en zijn uithoudingsvermogen.

Een Sussex is een grote hond op korte pootjes. Hij heeft een schofthoogte van 38 tot 41 cm, maar wel een gewicht van 20 tot 23 kilo! Hij heeft beweging en voedsel nodig zoals een grotere hond van hetzelfde gewicht. In tegenstelling tot de meeste andere spaniels heeft de Sussex (net als de Clumber) een redelijk zwaar hoofd, met een brede schedel die in het midden een deuk vertoont.

Ze vragen weinig trimwerk, maar wel een wekelijkse kam- en borstelbeurt. De dode dikke ondervacht moet in de ruiperiode goed verwijderd worden. De oren vragen extra aandacht, zowel uit-als inwendig. Dagelijks de oren kammen is geen overbodige luxe. Door de zware lobvormige hangoren, zijn Sussexen ook zeer gevoelig voor allerlei oorinfecties. Regelmatig nakijken is ook hier de boodschap!

Zoals gezegd is het meest opvallend aan de Sussex zijn vacht en kleur. Ze hebben een dikke ondervacht met een glanzende, bovenvacht. De kleur is 'liver en gold', wat zoveel wil zeggen als leverkleur met een gouden glans. Deze glans ontstaat door dat de uiteinden van de haarpunten lichter worden in het daglicht. Resultaat hiervan is dat Sussexen die veel in huis zitten, geen lichte kleur hebben en dus ook geen gouden glans.
De Sussex is altijd een zeldzaam ras geweest. De twee Wereldoorlogen hebben ook telkens het aantal exemplaren sterk gereduceerd. Momenteel is het aantal Sussexen in Engeland stabiel. Op grote tentoonstellingen als Crufts zie je er een vijftigtal. Op clubdagen van de Engelse rasvereniging kan dit aantal nog hoger liggen.

Een Sussex is nog steeds een echte werkhond die graag en met plezier werkt. Je kan van hem in het jachtveld niet de snelheid verwachten die we zien bij Engelse springers, maar hij blijft wel een doorzetter die het wild zal vinden als het er is. Hij is waaks, eerlijk en trouw, goedaardig en vriendelijk. Toch moeten ze een zeer consequente opvoeding krijgen om hun dominantie en temperament in goede banen te leiden. De Engelse zeggen immers: "if you give a sussex an inch, it will endeavour to take a mile!"